ODE AAN ARCHIEVEN
Ook ik ben, zoals zovelen, verbolgen over hoe besparingen onze archieven treffen. Samen met tientallen collega’s ondertekende ik daarover de open brief die verscheen in De Standaard. Archieven zijn niet alleen ons collectief geheugen, zonder hen had ik een aantal boeken nooit kunnen schrijven. Tijd om de warme ode boven te halen, die ik nog voor deze kaalslag bracht, dacht ik zo. U leest ze met een klik op de foto.
HET BELANG VAN ARCHIEVEN
Wat zouden mijn boeken Zwijgen en Verloren zonder zijn?
Bij het woord archieven zag ik vroeger altijd een een donker, stoffig lokaal voor me. Zo een waar de zon zich door hoge ramen zuinig naar binnen waagt. Waarom zou ze daar ook willen schijnen?
Vandaag staat voor u een vurig pleitbezorger van archieven. En dat heeft alles te maken met de boeken die ik de voorbije jaren heb geschreven. Twee daarvan houden rechtstreeks verband met het thema van deze tentoonstelling: de Tweede Wereldoorlog. Zonder archieven – in de meest brede zin van het woord – waren deze boeken niet geworden wat ze zijn. Hadden ze niet hun licht geworpen op een verscheurende geschiedenisbladzijde die ons, terecht, blijft bezighouden.
Het eerste boek is Zwijgen (2016), de titel alleen al is veelzeggend. Waarom werd er zo hardnekkig over zoveel gezwegen als het over die oorlog ging? Het was de vraag die mij bezighield, het antwoord is dubbel. Mijn vader was politiek fout tijdens de oorlog, mijn moeder amoureus kort erna. En hoe vond ik dat antwoord? Juist, in archieven.
Mijn vader, opgegroeid in Zurenborg waar de fameuze razzia’s tegen Joden plaatsvonden, had altijd geweigerd over die jaren te praten. Ook toen ik in Gent rechten studeerde op het ogenblik dat Albert Speer werd vrijgelaten en ik, met de drieste verontwaardiging van een 18-jarige, hem voor de voeten wierp: waarom heeft toen niemand iets gedaan om deze verschrikking te stoppen? Dezelfde vraag die vandaag in gewijzigde omstandigheden opnieuw opklinkt, bij zoveel jongeren.
Het enige wat ik wist, was dat hij lid was geweest van de Arbeidsdienst, een organisatie waar ik mij toen weinig kon bij voorstellen. En dat hij bij de Bevrijding was opgepakt was en opgesloten in de leeuwenkooi van de Zoo. Dat was me later verteld door mijn moeder die hem daar, bespuwd door omstaanders, was geen opzoeken. Een dapper bewijs van haar liefde en trouw, moest ik begrijpen.
Aan het eind van zijn leven, is mijn vader beginnen te praten. Maar omdat hij toen terminaal was, is het bij één gesprek gebleven. Hij vertelde me dat hij lid was geworden van de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen toen hij zeventien was. Om er als enige nog thuiswonende zoon voor te zorgen dat er brood op de plank kwam bij zijn oude, in armoede levende ouders. Een wat pover excuus, leek mij toen.
Tot ik na zijn dood de doos openmaakte die hij me had nagelaten. Daarin zat wat verwees naar die tijd en naar een nog veel verder verleden. Documenten, waaruit zowel zijn volgehouden Vlaamsgezindheid bleek als het feit dat hij na de oorlog, zoals zovelen, contact was blijven houden met zijn kompanen van toen. Maar ook een portret van mijn grootvader, zijn vader. Protserig uniform, steek en sabel, een adjunct politiecommissaris. ‘A ma Blanche Chérie’ las ik op de achterzijde, terwijl mijn grootmoeder Mathilde heette. Dat portret was de sleutel tot alles.
Toen ik in het Felix-archief het personeelsdossier van mijn grootvader opvroeg, bleek dat niet te bestaan uit één maar uit een stapel dossiers. De kolom ‘Faits recommandables/Lofbare daden’ kort en schraal, de kolommen ‘Punitions/Straffen’ eindeloos. De lieve grootvader, die mij als peuter op de paardemolen zette, bleek een hoogst onbetrouwbaar sujet te zijn geweest, die zijn gezin in de steek had gelaten voor zijn Blanche Chérie en met haar een liederrijk leven had geleid, dat in alle opzichten haaks stond op zijn verplichtingen als handhaver van openbare orde en fatsoen.
In die dossiers vond ik de smeekbrieven terug van mijn grootmoeder aan zijn oversten en de opeenvolgende burgemeesters van Antwerpen. ‘Help mij, ik heb geen middelen van bestaan, ik weet niet hoe me te redden, als alleenstaande moeder met kinderen.’ Het excuus van mijn vader klok plots heel wat minder pover, stilaan drong tot mij door wat er was gebeurd.
Aan het eind van zijn leven was mijn grootvader, oud en ziek, in de schoot van wat er van zijn gezin overbleef teruggekeerd. Tussendoor had hij dat al eens heel even nog eens gedaan, toen zijn oversten ermee dreigden hem te ontslaan wegens wangedrag. Van die oprisping van onbetrouwbaar berouw had hij gebruik gemaakt om bij mijn grootmoeder een kind te verwekken, waarna hij stante pede teruggevlucht was in de armen van zijn Blanche. Met achterlating van het Widergutmachungskind dat een volle generatie jonger was dan zijn zus en broers. Mijn vader, zeventien en alleen thuis toen de oorlog uitbrak.
In hetzelfde Felix-archief zat nog een dossier. Dat van de kwarteeuw oudere broer van mijn vader, die eveneens bij de politie was gegaan. Van zijn beschamende verwekker had hij bij zijn indiensttreding om evidente redenen geen melding gemaakt. Wel hij had het in alle opzichten beter gedaan, alsof hij iets goed te maken had. Bij hem geen sprake van een eindeloze reeks laakbare feiten, alleen van voorbeeldig gedrag.
In tegenstelling tot dat van mijn grootvader, was zijn dossier opvallend dun. Het sluitstuk was een voddig bleekgeel papiertje waarop stond dat deze oom die ik nooit had gekend in 1944 om het leven was gekomen in het concentratiekamp Neuengamme, nadat hij zich in 1942 had aangesloten bij het verzet.
Ik zag me opnieuw zitten in Zurenborg op de familiefeesten die ik me herinner uit mijn kinderjaren. Naast het gebraad en de kroketten ons ‘’Verdriet van België’, bovenop de ijsroom de kilte tusen mijn stokoude en verbitterde grootouders. Aan tafel, tegenover mijn verguisde vader de weduwe van zijn heldhaftige broer. Je zou voor minder zwijgen.
Maar dat was niet alles. Bovenop deze stilte had zich na de oorlog een tweede, heel andere stilte genesteld. Na het overlijden van mijn moeder, trof ik naast haar bed een mooi beschilderd kistje aan met daarin een stapel liefdesbrieven. Niet van mijn vader die met hard werken en studeren geprobeerd had zijn leven terug op de rails te krijgen, maar van een bij ons inwonende student met wie zij in die naoorlogse jaren een passionele relatie kreeg. Een man, die net alleen veel jonger was dan zij, maar in alles het tegendeel van mijn vader. Niet Vlaamsgezind maar Franssprekend, van adel en niet van eenvoudige afkomst, een fils à papa die alles in zijn schootgeworpen kreeg.
Hij, niet de jongeman uit de leeuwenkooi, was voor mijn moeder de liefde van haar leven. Toen mijn vader hun verhouding ontdekte, had hij haar voor de keuze gesteld. Ze had gebroken met haar minnaar om haar huwelijk te redden, niet uit hartstocht maar omdat ze uit dat huwelijk een kind had: ik. Ook daarover werd, om evidente redenen, nooit gesproken. En zo had de ene stilte de andere versterkt en kreeg mijn boek die dubbel betekenisvolle titel. ‘Zwijgen’.
Van dat boek is ‘Verloren’, mijn tweede oorlogsboek uit 2023, een uitloper. Ook dat boek begon met een doos. Ze werd mij overhandigd door mijn burman die ‘Zwijgen’ had gelezen. Of de inhoud niet eveneens iets voor een boek was?
Die inhoud bestond uit de oorlogscorrespondentie van een jonge Joodse vrouw en moeder van 1940 tot 1942. Haar briefwisseling was, samen met het hele familie-archief, bewaard geworden door haar broer die de oorlog overleefde. Zijn hele leven was hij blijven zoeken naar wat er met zijn zus was gebeurd tussen 1942, het ogenblik dat de briefwisseling stopt, en 1944, het jaar waarin zij samen met haar toen zesjarige zoontje vergast werd in Auschwitz. Dat tragische einde was zowat het enige wat ik op dat ogenblik van haar wist.
Toen ik de brieven las, bleken die zo aangrijpend dat het mij meteen duidelijk was: dit verhaal moest worden verteld. Maar hoe leg je dat aan boord? Ik kende deze familie niet, wist niets van haar geschiedenis. Ik ben begonnen met de hele correspondentie te doorploegen – denk daarbij niet alleen aan brieven, maar ook aan telegrammen, attesten van het Rode Kruis, enz… Wie schreef er naar wie, wat was een antwoord op welke vraag, welke vraag bleef onbeantwoord? In de briefwisseling ontbraken namelijk hele stukken, aanvankelijk omdat door de oorlog het postverkeer haperde, daarna omdat de censuur toesloeg – dat waren de omslagen met hakenkruisen erop, met de vermelding ‘Passed by Censorship’.
Stilaan kreeg ik zicht op wie deze Elisabeth, Lies, Liesje Andriesse was. Wie haar ouders, wie haar broer, wie de tantes en ooms die opdoken in de correspondentie. Beetje bij beetje tekende zich een stamboom af en dankzij wat er nog meer in de doos zat, een brok geschiedenis. Foto’s, feestmenu’s, prijslijsten, ja zelfs reepjes stof gaven een grote, welstellende Joodse familie uit Vlissingen prijs, van wie er enkelen waren uitgeweken naar Belgiê. Liesjes oom was aan het kanaal van Brussel een dépôt begonnen van een Nederlandse margarinefabriek, Liesjes vader die in Vlissingen de familiale textielhandel uitbaatte, was hem gevolgd naar Antwerpen. Daar was Liesje Andriesse gehuwd met een statenloze Jood, daar was zij bevallen van haar zoontje, toen de oorlog uitbrak.
Enkele dagen later was de zeer hechte familie – vader, moeder, zoon Lou en dochter Liesje, Liesjes man en zoontje – gevlucht richting Frankrijk. ‘A pied’, las ik op het doorgangsbewijs van vader Andriesse aan de grenspost van Ghyvelde, ook dat zat in de doos. En dat hij niet ten laste zou vallen van de Franse staat. Zo vergaat het vluchtelingen, als zij geluk hebben tenminste. Dat had Liesje Andriesse niet.
Haar ouders en broer mochten Frankrijk binnen, zij en haar man en zoontje niet. Want, zoals dat toen ging, een vrouw kreeg bij haar huwelijk de nationaliteit van haar man of het gebrek eraan. Net zoals hij, waren zij en haar zoontje statenloos. Terug naar af dus, terug naar Antwerpen.
En dan lees je in brieven hoe het er daar aan toe ging. Hoeveel moeilijker het steeds werd, hoezeer ze haar familie miste. De dapperheid waarmee ze zich staande hield, haar groeiende onrust ook. Hoe gaat het met deze, hoe met gene? Wie heeft nieuws van wie?
Een eerste keer stoppen Liesjes brieven in 1941. Iedereen in paniek: waar is zij, de briefschrijfster par excellence, wat is er met haar gebeurd? Ze was clandestien gevlucht, want de eerstvolgende brief kwam uit Frankrijk. Nice, Nîmes en tenslotte Alès. Een jaar later stond ik voor het huis. Van hier had ze haar laatste brief verzonden, met die finale woorden ‘Wij voelen ons hier zo alleen’. Het adres had ik, samen met dat van andere Joodse vluchtelingen, teruggevonden. Niet in de doos, maar op een lijst van wie in Alès opgepakt was geworden.
Wèl in de doos zat het reisdagboek van Liesjes vader. Een schrift, gekocht in een papeterie in Lissabon, de toen nog vrijhaven van Portugal waar hij met vrouw en zoon de boot had genomen naar Batavia, Nederlands Indië. Hoe ze daar onthaald werden, vond ik terug in een krantenknipsel uit die periode – o, de zegeningen van het internet. Hoe het hen daar verging, op de lijsten van de Jappenkampen. Want ja: opgepakt, opgesloten in een kamp, gescheiden van elkaar. Ook daar was het gebeurd, met hen.
Behalve dat zij het overleefden, Liesje niet. Van haar wisten ze, toen ze in 1946 terugkeerden naar Europa alleen dat ze ‘verloren’ was. Dat had Liesjes man, Pinkus Spira, te verstaan gegeven in een brief die hij schreef vanuit Barcelona. Niet aan zijn schoonouders, want dat durfde hij niet, maar aan een van de vele ooms die in Engeland woonde.
Pinkus was erin geslaagd de Pyreneeën over te steken, hopend dat zijn vrouw en kind hem zouden volgen. Daarop gingen niet alleen de grenzen dicht, zelf werd hij opgepakt door de Guardia Civil en opgesloten in het kamp van Miranda de Ebra. Gelukkig zijn regimes als dat van Franco, behalve immens verwerpelijk, ook immens administratief efficiênt. Zo viel ook dat in documnten te achterhalen.
En dan was er nog die andere, onnoemelijk kostbare bron. De interviews van de beeldbank, opgezet door Steven Spielberg om getuigenissen te bewaren die zijn film Schindler’s List niet hadden gehaald. In één daarvan vertelt Lou Andriesse als stokoude man over zijn oorlogsjaren. Dat zijn zus en haar zoontje zijn omgekomen in Auschwitz weet hij dan al geruime tijd. Wat er in de twee laatste jaren van haar leven is gebeurd, weet hij nog altijd niet. Hij zal het ook nooit weten.
Ik kan het hem niet meer vertellen. Maar dat ik er achter ben gekomen is te danken aan een onwaarschijnlijk toeval en, jawel, alweer aan archieven. Rosa Sala Rose, auteur en journaliste, zelf dochter van een Spaanse vader en Duitse moeder, had voor één van haar publicaties onderzoek gedaan naar het antisemitisch verleden van een gevierde Spaanse schrijver. In één hoofdstuk van haar boek is er sprake van een verdachte, want collaborerende passeur die vluchtelingen over de grens hielp, en van één van zijn slachtoffers. Een vrouw van wie ze enkel de familienaam kende, dezelfde familienaam als die van Liesjes echtgenoot. Maar dan op z’n Spaans verbasterd van Spira tot Espira
Rosa Sala Rose had zich tevergeefs afgevraagd wie deze vrouw was, maar een antwoord had ze nooit gevonden. Tot ze zoveel jaren later het verhaal van Liesje hoorde, en met een met een boven elke twijfel verheven stelligheid, het een aan het ander had geknoopt. De vrouw over wie ik schreef en de haar onbekende señora Espira waren één en dezelfde persoon.
Ze speelde mij de processtukken door van de malefide passeur en toen ik die legde naast wat ik intussen had achterhaald, leverde dat me het sluitstuk van mijn boek. Met deze passeur had Liesje, in een Frankrijk dat zich keerde tegen alles wat Joods, vrijdenkend of communistisch was, twee vluchtpigingen ondernomen. De eerste mislukte, de tweede liep falikant af.
Dot was, het mag duidelijk zijn, de spreekwoordelijke naald in een hoooiberg. Nooit had ik het antwoord kunnen vinden waar Liesjes broer tevergeefs naar had gezocht, als er niet die archieven waren geweest – de aanhoudingsrapporten van de Guiardia Civil, de lijsten van de gevangene in Miranda de Ebro, de naoorlogse processtukken. Zij hebben mij, samen met andere bronnen, die ik vanavond onvermeld laat, omdat ze binnen de mij toegekende tijd te ver zouden leiden, maar die u terugvindt in het boek – zij hebben mij in staat gesteld ‘Verloren’ te schrijven. Liesje Andriesse het graf van papier te geven, ter vervanging van dat andere graf dat zij nooit heeft gekregen.
Daarom is dit archief, waarvan een deel nu wordt tentoongesteld, zo belangrijk. Bewaren is recht doen aan de geschiedenis, is kennis delen, tegen het vergeten in. Een naam, een gezicht, een verhaal geven aan mensen die het anders niet zouden hebben gehad. Zoals helaas vandaag, in andere oorlogen op andere plaatsen, opnieuw het geval is.
(Lezing op de opening van de tentoonstelling ‘Hun kleine oorlog’ bij Liberas, Gent, op 9 oktober 2025)
